In verband met het feit dat de horeca nog altijd gesloten is door de Corona, ontmoet ik Jan in een fraai natuurgebied nabij zijn woonplaats. Gewapend met de beloofde lunch, schrijfgerei en pocketmemo, ga ik naar onze afspraak.

Ik ben mijn meegebrachte waar nog aan het uitstallen, wanneer ik Jan aan zie komen lopen. Hij doet mij een beetje denken aan een professor, maar dan een heel toegankelijke. Dat laatste blijkt ook tijdens ons gesprek. Eenmaal aan de picknicktafel gezeten, die perfect blijkt voor zijn doel, stel ik Jan mijn eerste, prangende vraag.

 

Jan, je schreef een drietal romans en komt nu met een verhalenbundel. Vanwaar die ommezwaai en waar ligt jouw voorkeur?

 

“Dat is niet echt een ommezwaai. Mijn voorkeur ligt duidelijk bij de roman, maar soms denk ik, terwijl ik aan het schrijven ben: nu is het wel genoeg. Meer hoeft er niet verteld te worden. Daarna ga ik natuurlijk met het resultaat aan de slag; ga ik schaven, zodat er toch ook een verhaalconstructie ontstaat.” 

 

Ik vraag Jan wanneer bij hem voor het eerst het besef doordrong dat hij auteur wilde worden.

 

“Dat heeft heel lang geduurd. Als neerlandicus ben je in eerste instantie bezig met het werk van anderen. Pas in 1982 voelde ik de behoefte het zelf ook eens te proberen. Dat was in de tijd dat ik nog erg gefocust was op het werk van Gerrit Krol, over wie ik mijn doctoraalscriptie geschreven heb. Toen ik het eenmaal aandurfde zelf te gaan schrijven, bleek ik een zekere aanleg te bezitten. De reacties op mijn debuut waren lovend en dat motiveerde tot het schrijven van een tweede. Met mijn roman, ‘Oponthoud in het verkeer’, ben ik mij gaan trainen in het schrijven van dialogen. Dat is overigens een vak apart kan ik je melden. Pas bij mijn vorige roman –‘Van oude mannen (en de dingen die nog komen)’ had ik het gevoel dat ik het in de vingers had gekregen.” 

 

Van welke auteurs ben jij zelf gecharmeerd?

“Mijn twee favorieten zijn, heel uiteenlopend, Gerrit Krol en Louis Couperus. Verder heb ik al het werk van F. Springer, W.F. Hermans, Hubert Lampo, Aya Zikken en Inez van Dullemen. Tamelijk divers dus.”

 

Opnieuw komt de naam Gerrit Krol voorbij. Deze auteur was kennelijk zeer belangrijk voor je. Nu is het natuurlijk ook zo dat je in de Nederlandse literatuur, nauwelijks om deze man heen kan. Tussen 1968 en 2001 won Krol achtereenvolgens de Prozaprijs van de gemeente Amsterdam, de  Multatuliprijs, de Constantijn Huygensprijs, de ECI-prijs, de Busken Huetprijs en de P.C. Hooft-prijs voor zijn gehele oeuvre. Deze indrukwekkende opsomming wordt afgesloten met het eredoctoraat van de Vrije Universiteit te Amsterdam in 2005. Jan, als je bij het winnen van één van deze prijzen Krol zou mogen opvolgen, welke prijs zou het dan zijn?

Ik zie verwarring verschijnen op het gezicht van Jan en even is het stil. Dan komt zijn antwoord:

 

“Je stelt mij wel een vraag, zeg. Daar ben ik nou echt nog nooit mee bezig geweest. Natuurlijk is een prijs een erkenning, maar voor mij is het vooral een erkenning wanneer een lezer heeft genoten van mijn boeken, er iets van geleerd heeft of aan het denken heeft gezet. Onlangs besprak Jeroen Vullings nog waarom de Nobelprijs aan de neus van Simon Vestdijk voorbij is gegaan, terwijl de man maar liefst 15 keer genomineerd werd. Slechts één vrouw, verbonden aan de faculteit Scandinavische talen, bleek in staat geweest een stokje te steken voor de toekenning. Veel in de literaire wereld heeft met onderlinge contacten en de beschikbare uitgeversgelden te maken.

 

Gerrit Krol heeft mij doen inzien dat bètawetenschap, filosofie en poëzie samen kunnen komen in een literair werk. De prozaprijs van Amsterdam kreeg hij destijds voor ‘Het gemillimeterde hoofd’, een boek vol raadselachtige wiskundige formules. Volkomen origineel op dat moment. Daarnaast kan zijn schrijven gekarakteriseerd worden door een voortdurende omdraaiing van de werkelijkheid en een zeer droge, Groningse humor. Hij leerde mij het belang van suggestie: het weglaten van wat een lezer zelf kan/moet bedenken.

Enfin, je vroeg naar een prijs…. Echt, ik heb daar nog nooit over nagedacht. 

 

Stel, er vindt volgend jaar weer een Boekenbal plaats en je ontvangt een uitnodiging. Ga je er dan heen en zo ja, wie zou je daar dan graag treffen?

 

“Ik geloof dat ik mij niet zo zou thuis voelen op het boekenbal. Zien en gezien worden is niets voor mij. Ik ga liever met mijn lezers een dialoog aan. Vandaar ook mijn auteurspagina op Facebook. Met regelmaat ontvang ik via dat medium berichten van lezers. Dát is wat ik leuk vind!”

 

Dat antwoord vraagt natuurlijk om vermelding van dit account. Vind je het leuk om nieuws over Jan en zijn boeken te volgen? Ga dan naar https://www.facebook.com/Heutinkschrijver 

 

Dan een geheel ander onderwerp. Veel schrijvers denken vooraf een vrij compleet stramien uit van hoe hun boek er uit moet komen te zien. Even zoveel auteurs laten het echter ‘gewoon gebeuren’ en weten aan het begin van het boek zelf niet hoe het zal aflopen. Ik vraag Jan hoe dat bij hem is. Dit is zijn antwoord:

 

“Nee, bij mij is er nooit een stramien. Wat er uitkomt is altijd verrassend. Soms, als ik vastzit, pak ik een woordenboek, zoek twee verschillende woorden en kijk dan wat een associatie oplevert. Om mezelf fris te houden, maak ik van schrijven ook geen dagtaak. Twee, drie uur, dan is het wel ok.”

 

In jouw nieuwe bundel, Vertraagde woede, staat de volgende fraaie alinea: ‘Achteraf denk je: had ik het maar anders gedaan; had ik hem of haar maar meteen lik op stuk gegeven. Niet iedereen is daartoe echter in staat: we houden onze emoties in, we kroppen onze boosheid op en dat kan leiden tot frustraties en nog erger trauma’s.’

Is dit de vertraagde woede die uiteindelijk de titel van de bundel werd en herken je jezelf hierin? In het binnenhouden van emoties en opkroppen van boosheid? Op deze vraag komt het antwoord direct en overtuigd:

 

“Ik ben opgegroeid in een sfeer waarin conflicten nooit uitgepraat werden. Je moest alles maar binnenhouden. In ons gezin kon er dagenlang gezwegen worden, totdat er een nieuwe ruzie ontstond. Gelukkig was ik vrijwel mijn hele jeugd op het voetbalveld te vinden, waar ik mij daar vrij van voelde! Dus ja: het heeft erg lang geduurd voordat ik mij realiseerde dat een snelle reactie vaak misverstanden voorkomt. Sterker nog, ik werk daar eigenlijk nog altijd aan. Ric (Hofmans van Uitgeverij Gopher) en ik zochten het gemeenschappelijke in de bundel en toen ontdekten we dat woede wellicht wel het kernthema van het boek was. Dikwijls kwam de uiting van die boosheid te laat: bij mijn moeder, die de dood van Joling (de oom van de bekende zanger), nooit heeft kunnen verwerken, bij de ik die altijd maar weer over die F. droomde. Ik reageerde en reageer vaak secundair. Dat heeft overigens voor heel wat fysieke klachten gezorgd in mijn leven, want mijn woede zocht dikwijls een andere uitweg.” 

 

Als ik Jan vraag naar zijn privésituatie: partner, kinderen, huisdieren en hobby’s verschijnt er een grijns op zijn gezicht en hij verontschuldigt zich haast voor het feit dat hij geen hond heeft aangezien hij weet hoe dol ik ben op die twee van mij. Maar enfin, er is veel andere rijkdom in zijn privéomgeving, zo blijkt uit zijn reactie.

 

“Ik ben sinds 2014 getrouwd met Ashti Schuit, kunstschilder en docente in creatieve vorming. Ik heb een hele leuke kater en ben dol op muziek. Voor in de folk- en folkrockrichting. Door Corona ligt de hele evenementen scene momenteel stil, maar in normale tijden ga ik regelmatig naar concerten van een Zaandamse folkclub en meestal bezoek ik met een vriend het jaarlijkse folkfestival van Dranouter in België. Ik vind het heerlijk om te zien hoe jongeren en ouderen zich daar amuseren met dans en muziek. Overigens heb ik tot ongeveer mijn veertigste gevoetbald, tot gescheurde kruisbanden daar een einde aan maakte en ja…. Verder lees ik natuurlijk veel en graag.” 

 

En natuurlijk….. ben je al bezig met een volgend boek?

 

“Mijn volgende roman ligt al ter beoordeling bij de uitgever. Een briefroman over een vader van drie kinderen (twee dochters en een zoon) en hun partners die, verspreid over het land, de coronacrisis op hun eigen manier beleven. Totdat de vader zelf het slachtoffer wordt. Daarna komt er een meervoudig perspectief van alle hoofdpersonen, zodat we kunnen zien hoe ieder voor zich op de ontstane dreiging reageert. Daarnaast ben ik alweer bezig aan een volgend verhaal over een hit-and-runongeluk in het noorden van Friesland. Het slachtoffer geneest op wonderbaarlijke wijze na geruime tijd in coma te hebben gelegen en zal lezingen gaan houden over zijn bijna-doodervaringen. Ook hier hanteer ik een meervoudig perspectief. Ik zit nu wat vast in het verhaal, maar er komen betere tijden!”

 

Door Hanneke van der Water in Bazarov Magazine